In welke staat moet worden opgeleverd als u gebruik maakt van uw wegbreekrecht?

Het komt regelmatig voor dat een compleet kantoorpand wordt verhuurd, dat wil zeggen: inclusief diverse voorzieningen zoals systeemplafonds, verlichting, beveiligingscamera’s of lift. Het is dan voor de verhuurder van groot belang in het huurcontract vast te leggen om welke voorzieningen het exact gaat. 

Indien de huurder namelijk bij het einde van de huurovereenkomst bepaalde voorzieningen zonder toestemming meeneemt, rust de bewijslast van de oorspronkelijke staat op de verhuurder. Voor huurovereenkomsten die zijn aangegaan na 1 augustus 2003 geldt bij het ontbreken van een beschrijving (inspectierapport) namelijk dat “het gehuurde is ontvangen in de staat zoals die was bij het einde van de huurovereenkomst, behoudens tegenbewijs”. De bewijslast dat de staat anders was bij aanvang van de huur, rust derhalve bij het ontbreken van een beschrijving van de oorspronkelijke staat op de verhuurder.

Ten aanzien van huurovereenkomsten die zijn aangegaan vóór 1 augustus 2003 geldt nog het oude recht. Als geen beschrijving is opgemaakt, wordt – behoudens tegenbewijs – verondersteld dat de huurder het gehuurde “in goede staat” heeft ontvangen. De bewijslast ligt dan dus juist bij de huurder. Echter, op 10 februari 2015 oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden op een verrassende wijze door de bewijslast toch bij de verhuurder te leggen.

De casus was als volgt. Een accountantskantoor huurde vanaf 1 augustus 1999 een bedrijfsruimte waarin voorafgaand aan de huurovereenkomst diverse voorzieningen waren aangebracht, waaronder systeemplafonds, scheidingswanden, een patchkast, noodverlichting, een ontvangstbalie en zonneschermen.

Het huurcontract bepaalde dat huurder het recht had, na het beëindigen van de huur, de door hem aangebrachte zaken mee te nemen en het gehuurde weer in oorspronkelijke staat te herstellen. Dit wordt wel het ‘wegbreekrecht’ van de huurder genoemd.

Huurder heeft bij zijn vertrek een groot deel van de aangebrachte voorzieningen meegenomen. Hiervoor vordert de verhuurder een schadevergoeding van bijna € 130.000,–. De verhuurder stelde zich op het standpunt dat hij het gehuurde als een compleet kantoorpand ter beschikking had gesteld. De huurder stelde echter dat een groot aantal voorzieningen ontbraken en dat die op kosten van hem waren aangebracht.

Het Hof oordeelde als volgt. De omstandigheid dat ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst geen beschrijving is opgenomen van de toestand van het gehuurde, betekent niet dat daarmee vaststaat dat het gehuurde bij aanvang daarvan door de verhuurder niet als casco maar als compleet kantoorpand ter beschikking was gesteld. Volgens het Hof heeft de huurder voldoende tegenbewijs geleverd dat een groot aantal voorzieningen ontbraken en dat die op kosten van hem zijn aangebracht. De vergoeding tot schadevergoeding wordt door het Hof afgewezen.

Nico van Eck
Advocaat
La Gro Advocaten Alphen aan den Rijn
www.lagrolaw.nl

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *